GESPREK OVER VROEGER

Dit gesprek over vroeger tussen Jans Wesseldijk-van den Berg en Karel van den Berg vond plaats op 10-12-1991 in Vriezenveen. Jans was toen 91 jaar oud. Het verhaal is opgetekend door Odette Franssen. 

K: Jan van de Putte, Opa van de Putte, die is in 1918 overleden, dus die heeft u nog heel goed gekend.

J: Ja, die heb ik goed gekend, ja.

K: Want ik heb vorige keer die foto van u gehad met dat bureau erop, wat ie toen bij zijn afscheid gekregen heeft.

J: Ik heb hem goed gekend, het was een hele lieve man. Dat was een hele aardige, zachte man, ja.

K: En hij kon ook goed tekenen.

J: Ja, tekenen, hij was ook muzikaal, hij had al diezelfde gaven die onze Jan ook zo heeft, hè. Hij heeft Jan tekenen geleerd. Ja, als Jan bij hem kwam logeren, dan hielp ie Jan altijd met tekenen. Hij was muzikaal, hij heeft een zangkoortje geleid. Daar had ie nog een piano aan overgehouden.

K: O ja?

J: Ja. Het was toen ook een hele stille, bescheiden man, die zich niet druk maakte, erg. Echt heel rustig en kalm, ja hoor, het was een lieve man. En die grootmoeder heb ik ook nog gekend, ik was negen jaar toen ze stierf en die grootmoeder was 62 en dat vond ik stokoud, hoor.

K: Ja ik zie het die is in 1910 overleden toen was ze 62.

J: Ja stokoud. Nu heb ik al een dochter die bijna 60 is. ’t is toch wat, hè?

K: Hij woonde in Gouda, hè? Dus uw moeder heeft toen natuurlijk in Gouda uw vader leren kennen.

J: Ja, want daar was een andere grootvader dominee, hè. Ze zijn daar op dat mooie stadhuis getrouwd, van Gouda.

K: Ja en oom Ruud die is toch ereburger van Gouda geweest?

J: Ja, ja die was ereburger.

K: Want die heb ik natuurlijk ook bij u verschillende keren gezien.

J: Ja ja nou daar kwam ik nog vaak hoor, toen ik in De Meern woonde, toen ging ik met de bus naar Gouda, de bus stopte voor het huis, hè, voor de flat, toen ben ik vaak bij hem geweest hoor. Ja dat vond ik leuk. En dan kwam hij bij ons logeren, ook wel, ja.

K: dat was de jongste broer van uw moeder, hè?

J: ja hij was van ’84, dus hij was 16 jaar ouder dan ik, ja. Dat was een jonge oom, natuurlijk hè. Want hij had ook nog een zuster, die is overleden, de jongste zuster. Mijn moeder heeft nog een zuster gehad die was nog jonger dan hij, die was 13 jaar jonger dan mijn moeder, en 13 jaar ouder dan ik. Dat was altijd zo leuk. Die tante Keetje die d’r huishoudster was die was 13 jaar ouder dan mijn moeder en mijn moeder was weer 13 jaar ouder dan tante Cor en tante Cor was weer 13 jaar ouder dan ik. Het getal 13 speelde altijd een rol in mijn leven.

K: Maar ik weet nog wel, Oom Ruud die kocht voor de gemeente nog wel eens wat, hè, want die verzamelde van alles..

J: Ja hij was conservator van het museum in Gouda.

K: O, dat wist ik niet. Later, na zijn pensionering?

J: Ja hoor, ja.

K: Want hij was toch leraar Frans, altijd?

J: Ja die man was allang gepensioneerd natuurlijk. Hij heeft nog heel lang les gegeven hoor. Hij was al 70 jaar toen stond ie nog voor de klas. Want een nichtje van mij, een dochter van een broer van Henk die heeft nog bij ‘m in de klas gezeten, op de MULO.

K: Ja ik weet wel dat ie toen altijd heel actief was, en met postzegels was ie actief en in de oorlog had ie affiches verzameld enzo.

J: O hij had een prachtverzameling postzegels. Die had ie toentertijd al verzekerd voor tienduizend gulden. Dat was toen jaaaren terug al hè. En munten verzamelde ie ook, ja een echte verzamelaar.

K: Ja hij verzamelde echt alles hè?

J: Nou alles. Postzegels en zo.

K: Ja en oorlogsaffiches heb ik wel eens gehoord.

J: Ja dat heeft ie voor de gemeente gedaan, geloof ik. Elk affiche die d’r aangeplakt werd die heeft ie dan bemachtigd en ingeleverd, ja. En ik kwam een keer (dat is weer over mijn grootvader) ik kwam een keer toen we in Indonesië waren in een heel klein dorpje boven op een berg ergens, met zo’n heel klein schooltje, en daar hing een landkaart, van Palestina aan de muur, die was getekend door J. van de Putte

K: Ja weet je dat wij die hebben, tante Jans?

J: Ja dat heb ik gehoord. Het was niet zo’n grote kaart, maar het was toch wel een flinke kaart.

K: Dus dat heeft ie getekend?

J: Ja. Oh hij heeft veel gedaan, hij dichtte ook zo.

K: Is daar niks van bewaard gebleven?

J: Nou zijn dochter of zijn kleindochter, de dochter van Oom Rudolf heeft dat allemaal.

K: Van Van Sluijs?

J: Ja. Die heeft dat allemaal. Hij had de hele vaderlandse geschiedenis in dichtvorm geschreven, ja. Het was een hele stille man, hij zei nooit zoveel, ik heb hem nooit eigenlijk zich zien opwinden, het was wel een aardige man. Ik weet wel dat Bets en ik, wij logeerden, toen waren we nog kinderen, en dat we naar de bioscoop gingen. Ja dat was wat in die tijd. En toen ging ie eerst kijken of niemand hem zag. Keek ie eerst alle kanten uit want hij wou dat niet weten. Nee, maar we gingen toch. Met hem ben ik voor het eerst naar de bioscoop geweest.

A: Weet u nog de film die u toen gezien heeft?

J: Nee, nou vaag, dat weet ik niet meer zo.

K: Maar het is de sensatie natuurlijk.

J: Ja. Nou hij zag er zeker iets in.

K: Ik weet wel van Opa van den Berg dat die dan dominee geweest is. Die heeft toen nog eens tegen bioscopen een of ander artikel geschreven. En de kermis en dat soort vermaak.

J: O ja dat zal wel. Het leek me nou niet zo een erg opgewekte man. Bé en Jan die gingen dan voor zijn portret staan en dan zeiden ze "Huu, saggerijn."

K: Ja hij keek niet al te vrolijk op dat portret

J: Nee, zo’n hanglip had ie, hè, zo’n pruilmond. Dan keek ie zo somber, hè, hij had helemaal geen opgewekt gezicht.

A: Dat portret hangt bij Elly, geloof ik. Die Oma ook, hè, die Oma kijkt toch ook zo…

J: Ja die was ook, nou die kijkt ook niet vriendelijk. Dat was ook geen vriendelijke vrouw, hoor.

K: Jantje Davenschot.

J: Ja. Je was aan d’r gewend. Als er weer een kind geboren was en de baker was weg, dan kwam Opoe zes weken, hè. Dat was natuurlijk vaste prik. Nou maar ja ze bemoeide zich overal mee, ja hoor, ja, want moeder die vond het lang niet makkelijk hoor, dat heeft ze me weleens verteld. Maar ze liet het maar gaan, want ze hield niet van ruzie.

K: Oma van den Berg niet.

J: Ja, mijn moeder.

K: Die was ook heel zacht.

J: Ja die was ook zacht. En die was echt zo verstandig om d’r mond altijd te houden, bij wijze van spreken hè. Ik zal maar zeggen, mijn vader, die kon ook zo, zo’n beetje…… die was nooit thuis, ’s avonds, bijna. Maar als ie thuis was, dan zaten we…. Dan zei mijn moeder tegen de kinderen: "Nou jongens het is tijd, naar bed." Dan zei mijn vader: "Och laat ze nog maar even." "Nou" zegt ze "Ik zeg nooit meer dat ze naar bed moeten hoor". "Dat doe ik niet meer, dat moet hij maar zeggen." Op die manier, hè.

K: Maar was Opa van den Berg altijd met vergaderingen bezig?

J: Ja, o, verschrikkelijk ja. Altijd vergaderingen en nooit thuis ’s avonds hè. En als ie thuis was dan moest je zo stil zijn hè. Dan moest Pa de krant lezen. Dan moest je heel stil zijn. En toen hebben wij zo gelachen, want toen kwam domine Geelkerken bij ons, preken, en die had het dan over: "Ja je hebt van die vaders waar de kinderen niets mogen zeggen omdat Pa de krant leest" en wij gniffelen natuurlijk hé. Och het was best een goeie man hoor, maar ontzettend verwend door z’n moeder. Hij was tot zijn 30ste jaar ongetrouwd geweest. En nou hield ie veel van kinderen, vooral van kleine kinderen, maar hij was dan altijd zo streng hè. Op zijn manier. Daar meende ie eigenlijk niks van maar…. want aan de andere kant was ie juist weer zeer toegevend, hij deed heel veel hoor, voor de kinderen. Hij ging met ze sjouwen en wandelen, geweldig, net als jouw vader.

K: Ja

J: En dan kwam ie thuis uit school en dan pakte ie het kind uit de wieg en dan ging ie dermee op z’n arm heen en weer lopen en dan legde ie het weer neer want dan ging ie naar zijn kamer en dan begon dat kind natuurlijk te blèren en dan mocht mijn moeder het maar weer opknappen.

K: Hij is inderdaad vrij laat getrouwd

J: Kinderlijk was ie eigenlijk hè. Hij was eigenlijk, ja je zou haast zeggen in zekere zin niet volwassen geworden. Ja het was een hele verstandig man hoor, hij speelde best een partijtje mee hoor, hij was overal in, in vergaderingen, met Professor Bavink was ie groot en met die en dat was natuurlijk zijn glorie hè, al die eh… ja, maar dan kwam ie bij mijn moeder en dan zei ie tegen mijn moeder: "Je moet de groeten hebben hoor, van die en die" en dan zei mijn moeder: "Och wat, ik ken die man niet". Die bleef altijd zo nuchter, het waren zulke tegengestelde… gut het was gewoon schizofreen, hè, bijna, zo tegengesteld als ze waren.

Moeder kalm en nuchter, en die liet dat alles maar gelaten over zich heengaan, maar ja.

A: Hoeveel kinderen waren er nou?

J: Nou, ze heeft 16 kinderen gehad, dat is ook geen kleinigheid.

K: Dan moet je het ook wel een beetje gelaten over je heen laten gaan

J: Dat je toch zo’n 20 jaar lang elk jaar maar weer in verwachting bent, het is toch erg. Maar als kind had je daar geen erg in, hè. Als jong kind denk je dat het zo hoort. Nou ja.

K: En dat terwijl hij op zijn 30ste pas getrouwd is.

J: En dan had ie nog de pech… de twee oudsten waren jongens. Daar was ie altijd erg streng voor hoor, dat moet ik zeggen, maar die kregen ook alles. Die kregen een fiets en zo wat wij natuurlijk niet kregen hè, wat ik niet kreeg natuurlijk, nee de jongens kregen een fiets maar ik moest ook 3 kwartier lopen naar school hoor maar nee een fiets was er voor mij niet bij, dat kon niet natuurlijk. Dat moet je niet doen in een gezin vind ik, maar ja de jongens die waren te voornaam hè, dat waren jongens. Jongens hoefden nooit iets te doen, die hoefden nooit een poot uit te steken naar iets..

K: Geen huishoudelijk werk

J: Nee, geen schoenen poetsen, niks. Nou die voelden zich dan ook, hè, dat waren de heren der schepping, zeg maar. Nou ja goed we zijn allemaal wel goed terecht gekomen hoor. Ik zeg dat nou misschien een beetje erg fel maar het was toch wel genoegelijk hoor, dikwijls in huis. Maar Pa was erg streng voor de jongens geweest en die zijn ook goed terechtgekomen, je kan zeggen wat je wil, maatschappelijk tenminste goed terechtgekomen, Maarre toen kwamen na 7 meisjes achter elkaar ineens die twee jongens, jouw vader en Zinus, nou toen wou ie dat anders aanpakken, toen was ie voor jouw vader helemaal niet streng. Toen die 4 jaar was had ie nog nooit een tik van ‘m gehad. Terwijl ie anders altijd heel loshandig was hoor. En toen ie een keer ondeugend was, was het nodig dat ie een tik kreeg, maar hij sloeg netjes terug hoor.

K: Mijn vader?

J: Ja. O, o die twee jongens wat waren dat een stelletje zeg. Het waren leuke jongens hoor. Maar ik had de meeste zorg voor ze hoor, eigenlijk.

A: U was een soort moeder voor ze?

J: Ja, mijn moeder bleef ’s morgens lang liggen hoor, die trok zich van de hele zaak niks an, ’s morgens. Dat kan je begrijpen. Nee hoor, die had d’r eigen principes. Als ze allemaal naar school waren dan kwam ze naar beneden. Ja hoor, en dan had ik dat hele stel al weggeholpen. Boterhammen klaargemaakt voor de overblijvers en zo en dit en dat, ja Karel moest brood mee en Jos moest brood mee en weet ik wie allemaal nog brood meemoesten.

A: Moest u dan ook nog naar school?

J: Ik? Ik was al oud. Ik was de oudste van de meisjes. Ik was al, ja wat was ik, ja ik was al een jaar of 18, 19 denk ik.

A: En was u thuis bij moeder?

J: Ja, en die twee jongste jongens hè, Kees en Sinus. En Sinus was zo’n driftkop nou daar had ik ook mijn handen vol an. Dan had ie zijn schoenveter in de knoop, en dan pakte ie een mes en dan wou ie zijn veter stuksnijden. Ik zeg: "Jongens die hun veter stuksnijden krijgen geen nieuwe veter, als je dat maar weet."

K: Was hij ongeduldig?

J: Ja, o het was een driftkop, ongeduldig, nou. En die Kees was een lollig joch. Die zat toen ie 3 jaar was al in de dakgoot. Toen kwamen de buren waarschuwen dat Kees in de dakgoot zat. Dat was zo makkelijk met dat huis, dan had je van die grote openslaande zolderramen en dan had je een hele brede goot voor, daar kon je makkelijk uitklimmen zo uit dat raam, nou en daar zat hij dan in hoor. Ja. En dan was ie buiten aan het spelen en dan kwam ie heel hard binnenhollen opeens en dan stak ie zijn hoofd om de hoek van de kamer: "En en en ze mogen niet meer voetballen van de poliesie", rats, weg was ie weer. Nou het was een leuk joch.

K: Hij stotterde een beetje geloof ik hè?

J: Ja hij stotterde toen ja. Maar dat is overgegaan hoor.

K: Ja mijn vader was zacht van karakter.

J: Ja zeker

K: Goedaardig

J: Nee die zou je niet aframmelen of zo hè?

K: Nee nooit, ik kan me dat niet herinneren hoor, ik geloof niet dat ik ooit een klap gehad heb..

J: Nee.

K: Maar als ik dat zo hoor van Opa Van den Berg, die de oudste jongens streng opvoed..

J: Nou die hebben heel wat rammel gehad hoor. En dan zei mijn grootvader Van de Putte tegen mijn moeder: "Je man moest die kindertjes niet zo slaan". Hij had er hinder van. Want als ze niet zo maar direct luisterden kregen ze een tik. Het was direct…..hé, hij had losse handen. Wie zijn zoon liefheeft die tucht ‘m. Maar dat wil niet zeggen dat je ‘m dood moet slaan. Nou ja we zijn er allemaal wel gekomen maar het is toch dikwijls niet makkelijk geweest hè. Je moest toch je eigen weg zoeken, ik tenminste wel. Ik was toevallig het oudste meisje dus ik was aan de heidenen overgeleverd, want ik werd gebruikt voor de huishouding. En Bets mocht naar de kweekschool. En die liet zich daar zó op voorstaan, die vond dat ze een stuk beter was dan ik. Ja. En toen ging ik ook voor onderwijzeres, had ik me opgegeven, voor de Normaalschool, daar zou ik ook voor onderwijzeres verder gaan, en toen hoorde ik d’r nog nét tegen Bé en Jan zeggen: "En die denkt, dat ze ’t ook kan." Dat heeft veel kwaad bloed gezet hoor, dat beloof ik je.

A: Dat geloof ik, ja.

J: "Die denkt, dat ze ’t ook kan." Ja die kon het ook, in anderhalf jaar waar zij vier jaar over gedaan heeft. Met een veel betere opleiding, hele dag naar school. Ik moest naar avondlessen, ik moest overdag lesgeven, handwerklessen gaf ik, ik moest mijn moeder thuis helpen, ik moest nog al het werk doen ’s morgens en al die dingen meer, en dan moest ik nog naar die lessen lopen, dat vond ik wel leuk. Het was een heel eind, hoor, naar de Nieuwezijds Voorburgwal, van ons huis af, van de Overtoom af, ik weet niet of je die afstand kent, maarre nou, dan moest je ’s avonds om zes uur op de les zijn, dan kwam je om 9 uur weer thuis, dan moest je je huiswerk maken al die tijd nog, zo tussendoor, nou ik heb een tijd gehad hoor.

K: En bestaat het huis nog op het Jacob Marisplein?

J: Ja, hoor, 24 Jacob Marisplein.

K: Want het moet wel een groot huis geweest zijn.

J: Jazeker. Dat is een mooi groot huis, er waren 9 kamers in. En een hele grote kelder onder het hele huis, en een prachtige zolder hadden we nog. En beneden twee grote kamers, boven twee grote en twee kleine en boven nog twee flinke zolderkamers en nog een klein zolderkamertje.

K: En bent u er later nog wel eens geweest?

J: Ja, Kees heeft me er nog wel eens langsgereden.

K: Moet je deze foto zien.

J: Ja, en moet je nagaan, toen waren ze nog maar 12 ½ jaar getrouwd, moet je nagaan zeg, en toen was d’r al een kind dood. D’r had er nog een meer op moeten staan.

A: Ja want daar zit nog een jongetje tussen.

K: Dat is oom Karel.

J: Ja die heeft een moeilijk leven gehad. Dat is een eenling. Want die paste niet bij de jongens, Bé en Jan bemoeiden zich nooit met ‘m, en hij had dan wel zusjes, die deden het wel hoor, maar toch was ie een beetje een eenling. Hij is niet oud geworden, hij is 64 jaar geworden.

K: Een maand voordat ie met pensioen ging, hè?

J: Een ontzettend aardige vent.

K: Een heel aardige vent, voor ons ook altijd. Die heeft het natuurlijk ook niet altijd makkelijk gehad in zijn leven.

J: Nee hoor, helemaal niet.

K: Hij is natuurlijk ook onderwijzer geweest, nooit getrouwd geweest..

J: Hij was homosexueel, hè. Maar daar werd nooit over gepraat, daar hoorde je nooit over. Maar hij demonstreerde het ook nooit zò, dat je het nou zo direct eh… Nou ja hij zal het wel gedaan hebben maar nooit in de eh… Maar hij had altijd veel jongens op bezoek hè, ja hele kamer vol.

A: Maar hij heeft nooit met iemand samengewoond?

J: Nee. Dat was misschien wel beter geweest nog.

K: Hij heeft altijd bij oom Sinus ingewoond, boven.

J: Ja dat was een leuke vent hoor.

K: Hij had ook veel belangstelling voor muziek, filosofie..

J: Ja, zeker, het was een knappe kop hoor. Hij was lid van de vereniging van wijsbegeerte en zo. Sinus heeft nog werk van hem. Hij zegt het is dat het geld kost maar het zou best uitgegeven kunnen worden. Sinus dacht wel dat hij een van de intelligentste was, van allemaal.

K: Met de meeste mogelijkheden.

J: Ja.

K: Hij heeft toch ook op kostschool gezeten?

J: Jazeker, ja. Daar is ie ook nog niet zo eervol weggekomen. Wouen ze hem ook liever kwijt. Hij was wel een zorgenkind hoor. Ja hij was het zorgenkind.

K: En hoe stonden uw vader en moeder ertegenover?

J: Ja, die vonden het allemaal erg, wel. Maar over die homosexualiteit op zich is nooit gepraat hè. Dat ie dat was. Meer andere dingen. Hij was niet eerlijk, soms, hij ging zich weleens te buiten aan oneerlijkheden.

K: Want kijk zoals Berend Jan van oom Sinus, daar weet iedereen van dattie homosexueel is.

J: Aan Karel kon je het niet zien van de buitenkant, die kleedde zich nooit fatterig want hij zag er eigenlijk slordig uit altijd een beetje. En meestal kleden ze zich zo fatterig hè.

K: Nee dat heeft oom Karel inderdaad nooit gehad. Maar u zei straks van mijn vader hè, dat Opa van den Berg de teugels liet vieren, dus die heeft eigenlijk een beetje te veel de vrije hand gehad hè.

J: Ja. Die hebben niet die tucht gehad, die die jongens nodig hadden. Ze konden d’r eigenlijk niet tegenan, tegen zulke jonge kinderen meer hè, daar waren ze te oud voor. Dat waren zulke straatrabbelijnen hè, die zaten altijd op de straat, en dan zaten ze weer op het politiebureau dan moesten ze weer van het politiebureau gehaald worden. Ik weet toen was het nog zo’n open veldje op de hoek van het plein daar stond een bouwkeet hè, daar was altijd hopen rommel, krullen en zo, en toen was d’r op een avond een brand hè, de brandweer moest eraan te pas komen, de hele straat liep uit om te kijken en daar liep Kees met een vriendje, en toen hoorde ik ze nog net tegen elkaar zeggen: "Fijn hè, Kees". Nou je hoeft niet te vragen wie dat aangestoken hadden. Nou ze zaten wel op het politiebureau de andere dag, hoor. Maar ja, mijn vader… weet je wat het is, je bent dan zoveel ouder hè, en ik heb altijd gezegd ze luisteren niet naar mij. Mijn vader stuurde die jongen naar de HBS, die kwam van een school waar je helemaal niet goed voorbereid bent op een middelbaar onderwijs hè, dat is een hele gewone volksschool in de echte zin, hoe ouder die school werd hoe meer dat werd, in het begin had je nog nette mensen, vooral heel nette typen nog die allemaal wel wat gepresteerd hebben hè, zoals Jan Terschegge die is dominee geworden en die Karel Paf waar ik in Engeland bij logeerde heeft het ook ver gebracht, die waren goed onderlegd hè maar naderhand zakte die school zo af en ze zaten altijd tussen zo.. ja.. dat publiek veranderde, d’r kwamen….de betere mensen trokken uit de wijk weg en d’r kwamen weer mindere goden voor in de plaats en die kinderen kreeg je natuurlijk ook op school. Dus ze hadden eigenlijk geen vorming genoeg gehad dus dan gingen ze naar de HBS en dan mislukten ze het eerste jaar en dan moesten ze d’raf van mijn vader. Dan zei ie niet: overdoen. Dat zei mijn man wel wel tegen de jongens als ze bleven zitten: en nou doe je het over hè, en dat heeft ie met Gerard wel vier keer gehad dat ie het over moest doen en hij dééd het over. En daar heeft Gerard per slot van rekening nog profijt van gehad want die heeft het nog tot tandarts in ieder geval gebracht. Want de HBS daar heeft ie ook tien jaar over gedaan, over vijf jaar HBS. Toen waren wij in Indië, toen was ie twee keer blijven zitten in de derde klas of zo en toen hadden ze hem van school genomen en toen liep ie rond en toen schreven ze ons wat ie moest en toen zei mijn man: er is toch wel een andere school waar ie naar toe kan. Toen is ie naar een andere school gegaan en daar bleef ie weer zitten.We zijn zeven jaar weggeweest naar Indonesië, toen we weggingen zat ie in de derde klas en toen we terugkwamen zat ie in de vierde.

A: Dat schiet lekker op.

J: Dat schiet op ja.

K: Maar bij mijn vader is zo’n beetje ook alles mislukt wat scholing betreft hè?

J: En toen heb ik altijd gezegd tegen mijn vader: STUUR DIE JONGEN NAAR DE KWEEKSCHOOL. Die jongen houdt van kinderen, die kan leuk met kinderen omgaan. Hij zegt wel dattie dat niet wil natuurlijk, dat wilden ze nooit, maar die jongen hadden ze naar de kweekschool moeten sturen, dan was ie onderwijzer geworden, dan was ie beslist beter terechtgekomen. Maar niet luisteren natuurlijk hè. En toen ben ik helaas eigenlijk weggegaan net op een leeftijd dat ie net zo’n beetje 16, 17 jaar was dat je geen invloed meer kon.. Toen is die oorlog gekomen daar is ie ook niet erg beter van geworden in die tijd…ook slechte vrienden eigenlijk hè, zwarthandelaren, zich met zwarthandel in gaan laten hè

K: MIJN VADER?

J: Ja, en hem met z’n onnozelheid altijd met de stroppen laten zitten hè. Dat had ie ook dan hè. Laat ik nog zeggen ik hield ontzettend veel van hem. Ja.

A: Maar die zwarthandel was dat in de oorlog zelf?

J: Ja, allemaal in de oorlogstijd. En toen is ie uiteindelijk op de tuinbouwschool terecht gekomen hè de tuinbouw en dat ging ook wel aardig goed maar ja ik weet het niet wat dat was toen is ie naderhand door jouw grootvader…….. Ja hij dronk natuurlijk dat was heel naar. Dat ie zo van die perioden had dattie dronk hè.

K: Vroeger al?

J: Ja. Dan moet je niet vergeten jouw moeder is ook een dominerende vrouw en dat verdraagt een man niet altijd hè. Dat je zo’n beetje de rol van prins-gemaal….hè. Daarmee wil ik niks ten nadele van je moeder zeggen hoor het is een flinke… ik mag d’r heel graag hoor. Maar ze had wel erg de touwtjes.

K: Nou we hebben het er laatst nog over gehad dat zie ik nu veel duidelijker dan vroeger mijn vader kon gewoon niet tegen mijn moeder op in bepaalde situaties en dan ging ie op de vlucht

J: Ja in de kroeg hè. Ik vind het fijn dat je moeder alles zo regelt hè je laat ’t ook aan d’r over dan.

K: Maar Tante Jans ik wou nog eens wat weten over, die heeft u niet gekend maar van horen zeggen dan, die vader van Jan van de Putte.

J: Nou die heb ik natuurlijk niet gekend. Ik heb nog wel een portret van hem, heb ik je die wel eens laten zien?

K: Nee ik geloof het niet.

J: Ik geloof dat ze in dat groene albumpje zitten, zo’n vierkant album. Mag ik even kijken?

K: Maar die was boom- en bloemkweker, staat hier.

J: Ja die had een kwekerij hoor, dat was heel wat. Ja die staan hierin. Kijk dit is de moeder van Oma van de Putte.

K: Elisabeth de Klerk?

J: Ja.

K: Die heeft u nog gekend?

J: Nee, ook niet.

K: Maar die is in 1910 overleden.

J: Nee dat was hààr moeder. De moeder van mijn grootmoeder.

K: Dus Cornelia van Boven.

J: Ja. Dat was Cornelia van Boven. Dat is die.

K: Die was in 1809 geboren in Veere en in 1892 overleden in Gouda.

J: Ja. En dit is de moeder van Opa van de Putte, van Jan van de Putte. Dat is Tannetje van Westen

K: In Middelburg geboren in 1803. Dat is een stevige, hè?

J: Nou. En dat is dan de vader, Cornelis van de Putte. Hij had een hele grote kwekerij.

K. In 1801 geboren.

J: Hij heeft de wegen op Walcheren beplant, alle wegen op Walcheren. Het was een hele grote zaak. Want toen ie stierf had ie zes kinderen, toen kreeg elk kind, in die tijd, tienduizend gulden. En een bloeiende zaak.

K: in die tijd?

J: Ja. En mijn grootvader had het ook gekregen, die tienduizend gulden, maar die zoons die hebben de boel d’r weer helemaal doorgejaagd, dat waren ook van jattem.

K: Broers van Jan van de Putte?

J: Ja, de broers van Jan, m’n grootvader was de jongste van de zes. Ze hadden twee dochters, hè. En die ene dochter die was dan getrouwd met een zekere ’t Hart. En toen die stierf, eerst is die tante gestorven en toen hij, toen kreeg mijn moeder nog een legaatje. Want die hadden het geld natuurlijk nog bewaard. Ja een klein legaatje ik geloof een paar honderd gulden maar daar waren ze heel wijs mee in die tijd. Daar hebben ze elektrisch licht voor laten aanleggen in het hele huis.

K: Maar wie heeft die zaak dan voortgezet, Tante Jans?

J: Nou die broers, maar d’r is niks meer van over, nee. En mijn grootvader die was onderwijzer geworden natuurlijk. Hij was ook de eerste van de familie die zich buiten Zeeland vestigde. Mijn moeder is nog op Tholen geboren, in Oud-Vossemeer. Ik heb nog ergens een ansichtkaart gehad van dat huis, maar ik kan ‘m nergens vinden. Ik heb zoveel rommel. Misschien komt ie nog wel eens voor de dag. Daar staat het geboortehuis van mijn moeder op.

K: Dus Jan van de Putte was de eerste die uit Zeeland wegging?

J: Ja. Nou was natuurlijk Tholen nog in Zeeland, hè. Toen in Gouda, toen was ie weg uit Zeeland.

K: Tholen dat is Schouwen-Duiveland hè?

J: Ja, maar ze kwamen van Walcheren. En die andere familie, die van Tante Keetje zal ik maar zeggen, van de kant van de Van Bovens die kwamen meer van Zeeuwsch-Vlaanderen geloof ik. Koudekerke. Daar was ie molenaar.

K: Dat weet ik niet.

J: Mijn overgrootvader.

K: Die was molenaar.

J: Ja.

K: De vader van Cornelis van de Putte?

J: Nee, de man van Cornelia van Boven. Die is ook in Koudekerke begraven, ze woonde in Gouda, ik denk dat ze bij mijn grootmoeder in huis heeft gewoond. Want mijn andere grootmoeder had het wel eens over: juffrouw Van Boven hè, vroeger waren ze geen mevrouw maar juffrouw. Juffrouw Van Boven. Toen ze gestorven is is ze in Koudekerke begraven. Daar kwamen ze vandaan.

K: Oh ja Koudekerke daar zie ik er hier meer van staan. En Haamstede, ja het is allemaal Zeeland, Oost-Souburg

J: Maar die broer van Tante Keetje, dat was een dochter van een broer van mijn grootvader, die was huishoudster bij mijn grootvader, dat is ook een familiestuk, een heel leuk mens, die had een broer en die was onderwijzer ergens in Breskens ofzo, dat was in Zeeuwsch-Vlaanderen en die broer dat was dan, dat zei ze altijd dan, hij was hoofd van de school en voorlezer in de kerk, dat hoorde zo’n beetje bij elkaar, net als meester Scholte zal ik maar zeggen. Hoofd van een openbare school was ie. Die familie van mijn grootmoeder, daar werd nooit over gepraat, die was hervormd hè. Mijn grootmoeder Van de Putte, die waren hervormd. Ik denk, dat ze vrijzinnig hervormd waren ook.

K: Dus dat was helemaal slecht.

J: Liberale mensen, zeiden ze. Want mijn grootmoeder die trouwde toen met mijn grootvader, en die mocht niet aan ’t avondmaal in de gereformeerde kerk. Want dan moest ze eerst belijdenis overdoen. En dat deed ze niet. Dat heeft ze nooit gedaan, dus ze is nooit meer aan ’t avondmaal geweest.

K: Dat was Elisabeth de Klerk?

J: Ja.

K: Goh. Dus die was hervormd en Jan van de Putte was dan gereformeerd.

J: Ja. En ze wou ook wel naar de gereformeerde kerk hoor want ze ging wel met ‘m mee naar de kerk maar ze mocht niet aan ’t avondmaal. Dan moest ze eerst weer opnieuw belijdenis doen maar dat deed ze niet want dat had ze al gedaan. Ja dat was wat vroeger hè. O, o wat mensen mekaar allemaal andeden.

K: Maar dat heeft u zelf met de scheuring van Geelkerken een beetje meegemaakt.

J: Ja, o ja nou dat viel wel mee hoor. Daar heb ik niet zo erg onder geleden.

K: Maar die bloemkweker had die die zaak weer van z’n vader?

J: Dat weet ik niet. Dat kan wel hoor, maar misschien een beetje kleiner.

K: Die was winkelier en daarna hovenier, staat hier.

J: O ja, hovenier. Oom Rudolf vertelde dattie nog medaljes had van tentoonstellingen, van inzendingen van z’n grootvader, hè, want het was Oom Rudolf z’n grootvader, die Cornelis van de Putte. Hij heeft vaak prachtige bloemen ingestuurd voor tentoonstellingen, hij had vaak bekroond, tot in België toe. Die had veel hoor, Oom Rudolf, ja die zijn allemaal naar zijn dochter natuurlijk. Die heeft ook geen kinderen, waar die rommel straks blijft dat weet ik niet.

K: Ik zal eens contact met ‘r opnemen.

J: Ja Oosterbeek woont ze. Ik kan je het adres wel geven hoor. Het is een heel aardig iemand. Haar man is toen een paar jaar geleden gestorven met Kerst. Sluijs heet ze, Tine Sluijs. Het is mijn jongste nicht. Ze is 28 jaar jonger dan ik. J. Sluijs-Van de Putte. Die woont in Oosterhout.

K: Oosterhout?

J: Ja, Noord-Brabant. Ze is een keer hier geweest, ze heeft beloofd nog eens te komen. Ja het is een heel aardig iemand hoor, heel aardig. Haar man, Jaap was ook een heel aardige man. Maar ja die is dood. Jaap was niet meer bij de zaadhandel, ze waren toen geassocieerd met Bonzo, dat hondenvoer. En die leverden volgens Jaap zulke slechte waar, daar wou ie zich niet meer mee bemoeien, toen is ie zelf met iets anders begonnen, hij handelde vooral in kooien voor hamsters en dergelijke beesten, hij had een drukke business aan huis hij was de hele dag ermee bezig.

K: Maar Tante Jans, die Cornelis de Klerk dat was een molenaar.

J: Nou verder ken ik ze niet ik heb het nog van horen zeggen zo’n beetje. Het is door mijn goede geheugen….dat ik al die dingen gehoord heb anders had ik het ook niet geweten. Mijn moeder vertelde me nog weleens wat hoor. Het is zo’n verschil hè mijn vader of mijn moeder, dat zijn zulke tegengestelde mensen eigenlijk hè.

K: Had Opa Van den Berg, dus uw vader, er geen belangstelling voor, voor die dingen van vroeger?

J: O gut dat weet ik niet hoor. Mijn vader misschien wel, maar niet in die mate geloof ik.

K: Heeftie weleens wat over zijn vader verteld, want die heeft u nooit gekend, die dominee.

J: Wat, mijn grootvader? Nee die was al dood voor ie getrouwd is hè. Hij had het wel eens over zijn vader, ik heb wel eens preken van hem gelezen, nou niet om te harden. Maar Marie wou ze zo graag hebben nou heeft ze ze me niet teruggegeven, die duvel.

K: Tante Marie?

J: Ja. ’t Was vreselijk om te lezen hoor. O,o wat konden de mensen vroeger zeuren.

K: Allemaal hel en verdoemenis zeker?

J: Nou nee maar dat uitgemeten… ze weten het allemaal zo…..zo saai allemaal. Want mijn vader preekte ook maar dat vond ik ook saai hoor. Die maakte het dan zo mooi op zijn manier en dan kwam ie zaterdagsavonds naar beneden, had ie een preek gemaakt en dan zou ie de volgende dag preken en danne liepen wij allemaal de kamer uit hè en dan zei ie: blijven jullie niet en dan zei ik: nou dat horen we morgen wel. Ja twee keer dat aan te horen dat was helemaal niks. En dan las ie zo triomfantelijk mijn moeder die preek voor, dan had ie het weer zo mooi gezegd, o hij glunderde dan, hij was ook echt zo’n naïveling af en toe.

K: Waarom is ie eigenlijk geen dominee geworden?

J: Ja dat had ie graag gewild. Dat was zijn wens geweest maar daar had ie geen gelegenheid voor. Ze zaten niet in de omstandigheden dat het kòn. Hoe z’n broer het nog geworden is begrijp ik niet. Maar ze woonden toen in Andijk dan moest ie in die tijd twee uur lopen naar Enkhuizen om naar de HBS te gaan. En toen die daar een paar jaar op is geweest toen hebben ze hem dan eindelijk in de kost gedaan dan kwam die alleen maar ’s zaterdags thuis. Maar ja toen is ie in Gouda gekomen, toen was zijn vader dood, hij is toen onderwijzer geworden dat was het enige wat ‘r voor ‘m opzat geloof ik, maar hij had graag dominee geworden hoor. Hij zat altijd in theologische dingen te…hij was er altijd mee bezig.

K: Want zijn broer Jan die is dan wel dominee geworden.

J. Ja.

K: Ziet u daar nog wel familie van?

J: Nooit meer. Alleen als Bets jarig is, dan komt er nog een nicht, een dochter van ‘m. Ik  geloof dat er nog maar een stuk of drie leven, van de tien. Ik weet niet of die broer nog altijd leeft, die Berend Jan, die oudste. Die wou toch niks meer met ons te maken hebben. Afgezakte mensen.

K: O ja? Was dat vanwege..

J: Vanwege Geelkerken, ja. Maar Bets, die was onderwijzeres in Rotterdam, hè, dus die kwam veel bij Oom Jan over huis, dus die kent ze allemaal goed.

K: Hij was dominee in Rotterdam.

J: Ja. Maar ik heb d’r wel eens gelogeerd nou dat was ook niks hoor.

K: Somber?

J: Ja, nee ze hadden geen tijd voor je. Ik kwam er op een zaterdag en de hele zaterdagavond tot 11 uur toe waren ze in de weer om de dingen schoon te maken en om te strijken en te doen enzo d’r was geen mens die bij je kwam zitten daar die hele avond niet. Ik zeg: wat is dat hier een ongezellige boel bij jullie, ik zeg: wij zitten zaterdagavond allemaal gezellig om de tafel, een leesportefeuille, iedereen die kijkt de tijdschriften of die doet wat anders ofzo we zitten gezellig bij elkaar. Nou dan keken ze van: we moeten maar niet aan die rotzooi bij jullie thuis denken, zo’n gevoel kreeg je.

K: En die zuster van Opa Van den Berg, die had toch een zuster Marie, die met een Delhaas getrouwd is?

J: Ja, o nou dat was ook een misbaksel hoor. Ja, o een roddeltante was dat, verschikkelijk. Die was altijd ziek en nooit dood, weet je wel. Onze baker zei altijd: sommige mensen, als je ze dood wil hebben, moet je ze dood slààn.

K: Maar die is uiteindelijk toch getrouwd?

J: Ja met Delhaas, nou maar dat was een aardige man hoor. En zij was altijd ziek en dan moest hij voor de kinderen zorgen en o en dan ’s avonds afwassen met de kinderen en dat dee vader allemaal, de kinderen in bad doen dat dee ook vader en moeder was ziek en ’s nachts dan stond ze op en dan ging ze spreien zitten te haken voor bazars. Dat zat ze altijd ’s nachts te doen dan kon ze niet slapen.

K: Ja als je de hele dag in bed ligt.

J: Ja. Maar oom Delhaas die was in tijd van een week ziek en dood. In de tachtig geworden hoor, ja. Maar zij was een akelig mens.

K: Dus geen aardig mens.

J: Nee een heel akelig mens vond ik dat. De kinderen waren ook niet aardig. Die kinderen moesten stiekem alles achter d’r rug doen dat waren wij niet gewend hè. Ik heb er eens gelogeerd toen zouden we dan uitgaan, was afgesproken nou ik had me angekleed toen zei mijn tante: wat gaan jullie doen, gaan jullie uit? Nou dan kreeg ik op m’n kop ik had niks mogen zeggen ik zeg: ja dàt ben ik niet gewend hoor, dergelijke dingen, als d’r bij ons thuis wat is dan vertellen we het.

A: Dus dat kon wel, met die strenge vader, u kon wel gewoon alles zeggen?

J: Ooo ja, mijn vader was helemaal niet zo streng hoor, nee. Hij was driftig. Maar eigenlijk was ie heel toegevend, als ’t er op ankomt.

K: Maar hij was voor die oudste kinderen toen wel streng?

J: Ja, die jongens, hè. Daar spande ie zich ook erg voor in, voor die jongens hè, dat was z’n glorie en trots zo’n beetje.

A: En dan 7 meisjes erachteraan.

J: Nou. Ja we hadden 8 meisjes zijn d’r geweest.

K: Ja, 8 ja, alleen Oom Karel zat ertussen. 2 jongens, 2 meisjes

J: En dan kwam Karel

K: Oom Karel, en toen weer 6 meisjes.

J: Ja

K: Ja. Maar Tante Jans, toen in die tijd was de kindersterfte ook hoog hè?

J: Ja. Er zijn er drie van gestorven, dat was eigenlijk door de griep hè, Spaanse griep. Daar kon natuurlijk niemand tegenan.

K: Nee maar bij uw vader, bij Opa Van den Berg, daar waren er ook 3 gestorven.

J: Ja drie dood, van zes zijn er drie overleden ja. Eéntje is nog elf jaar geworden, dat was een Gesinus, daar is Sinus naar vernoemd. Gesinus van den Berg.

K: En waar is die aan overleden?

J: Ik weet het niet.

K: Het waren toen meestal infectiezieken, denk ik.

J: Nou hij is lang ziek geweest. Misschien wel tuberculose ofzo, ik weet het niet.

K: Ja TB dat kan ook.

J: Dat kwam vroeger veel voor hè.

K: Maar ik heb ook wel eens gehoord dat er ééntje aan kopervergiftiging…

J: Ja, de baker vergiftigde het kind. Die had het voedsel van het kind met een koperen lepel geroerd en dat had ze erin laten staan. In dat eten. Ja. Daar is het kind aan doodgegaan, ja.

A: Vreselijk.

K: En dat heeft u van uw vader, die heeft dat verteld.

J: Ja, jazeker. Mijn grootmoeder heeft het zelfs verteld.

K: O ja?

J: Aan mij.

K: Ja, want die heeft die kinderen gekregen natuurlijk, hè, Jantje Davenschot.

J: Het was háár kind hè. Dat was ook een Kareltje, dat vergiftigd is. D’r is een Marietje overleden, en een Karel en een Gesinus.

K: Ja. En later zijn die namen weer teruggekomen.

J: De oudste was Marie, die is overleden, en Karel is overleden, en toen hebben ze weer een nieuwe Marie, en toen weer een nieuwe Karel, hè.

A: Ja dat deden ze vroeger zo hè?

J: Ja, dat deed mijn vader ook. Ik zou het nooit doen.

K en A: Nee

J: Ik moet er niet aan denken. Ik heb ook een kindje verloren maar als ik het terug had gekregen, nooit meer zo genoemd hoor. Vast niet.

K: Heeft u ook een kind verloren dan?

J: Ja, de eerste heb ik verloren, een jongetje, hè. De enige jongen die ik gehad heb. Ja, die is negen dagen geworden.

K: Dus die was vóór Tannie geboren.

J: Ja

K: Ouder dan Tannie

J: Ja. Nou schijnt het naderhand, onze bloedgroepen deugden niet hè. Dan gaat het de eerste keer weleens goed, met een jongetje. Maar dan verder gaat het dan altijd verkeerd, ik heb nogwel eens een miskraam gehad. Dat was vast een jongetje, dat kan je natuurlijk niet nagaan, meer, maar ik denk het wel. Mijn man had een vreemde bloedgroep. Ja die heeft Wim ook ik weet het niet. Ik weet niet hoe je het noemt.

K: Rhesus-negatief of iets dergelijks?

J: Nee, in ieder geval een heel vreemde, ik heb gewoon normaal A-positief hè. Ik geloof dat het bij Cor en Kik ook het geval was, daar stierven ook die kinderen, die werden allemaal dood geboren.

A: Dus dat heeft u ook nog meegemaakt, een kindje verloren. (Tegen Karel): En jouw moeder.

J: Ja maar die heeft het na difteritus verloren.

K: Ja die is besmet ook door de kraamzuster.

J: Ja, in de oorlogstijd, hè.

K: Ja. Maar Berend Jan die dan dominee is geworden, die is van de Christelijk Gereformeerde kerk hè?

J: Ja

K: Want zijn vader was wever, hè, die Karel van de Berg.

J: Ja. Mijn vader zegt altijd dattie een winkel had, een zaak. Ja hij kan wel heel goed wever geweest zijn, ja dat was ie zeker.

K: Had ie een winkel in Kampen?

J: Ja, dat zei mijn vader tenminste. Hij had een schoolplaat van Kampen, je weet wel die schoolplaten hè, wat je aanschouwelijk onderwijs noemt, en daar stond het huis van z’n grootvader op. Dat wees ie nog aan, ja.

K: Want die is in 1884 overleden, dus die heeft Opa van den Berg, dus Karel van den Berg nog gekend. Die was17 toen ie overleden is, dus.

J: Ja die zal ie wel gekend hebben. Hij heeft het nooit veel over hem gehad, hoor.

K: En Maria van Ommen dan, zijn grootmoeder, want die is in 1901 overleden dus die moet ie ook gekend hebben.

J: Natuurlijk heeft ie die gekend maar hij had het er nooit over hoor. Ik heb ‘m d’r nooit over gehoord, over z’n grootouders.

K: U zoekt iets?

J: Ja ik zoek dit, zakdoekjes. Ik maak altijd zo’n rotzooi.

K: En Tante Jans dan is er nog Berend van den Berg geweest, die is van de toren gevallen…

J: Ja dat zeggen ze. In Ommen, hè?

K: In Ommen

J: Ja, dat is hier vlak in de buurt.

K: Die is op 45 jarige leeftijd overleden.

J: Ja. Die is van de toren gevallen, kon ie niet tegen.

K: Maar daar weet u het fijne ook niet van?

J: Nee, nee

K: Want die is toen in Kampen overleden, dat is aan het begin van de 19e eeuw geweest. En Jan Harmen van den Berg, de vilder?

J: Dat was de stamvader van de familie, Jan de Vilder. Die had 10 kinderen. En mijn overgrootvader die stamde van één van die kinderen af, van de derde geloof ik, van die man. Daar stamde mijn grootvader dan vanaf. Het is ongeveer in 1600.

K: Nee die Jan Harmen van den Berg die is in 1737 geboren, in Kampen, 1737.

J: Oh in Kampen? Is er dan niet eentje ervoor nog?

K: Daarvoor is een Daniël Jansz. Van den Berg uit Steenwijk en daarvoor een Jan Harmenszoon van den Berg uit Oldenzaal, 1655 of 1670

J: Dát zal dan wel Jan de Vilder geweest zijn, d’r was d’r één die heette Jan de Vilder omdat ie koeienhuiden opkocht.

K: En wat deed ie daarmee? Verkopen?

J: Verkopen denk ik. Hij ging de boer af om koeienhuiden, en daarom noemden ze hem Jan de Vilder. Misschien vilde ie die koeien wel, wie zal ’t zeggen.

K: En die was met een Wickers getrouwd, zegt u dat wat? Of een Esmeijer?

J: Nou ik weet het echt niet meer hoor. Ik ben dat ding van mij kwijt. Dat zal iemand wel hebben van de familie

K: Dit is allemaal van Oom Ruud, hè. Dat wil zeggen dit heeft mijn vader opgeschreven, maar die heeft het allemaal overgeschreven van dat ding van Oom Ruud.

J: Oh dan zal het wel kloppen. En toen is d’r dan ééntje van Ommen naar Kampen verhuisd dat was er eentje die heeft zich voor het eerst Van den Berg genoemd, omdat ie van de Ommer berg kwam.

K: Oh op die manier.

J: Ja.

K: Ja want hoe ging dat toen met die namen?

J: Je hoefde geen naam te hebben toen in die tijd. Bij mijn mans familie was dat zo moeilijk uitzoeken. Die heetten allemaal anders, hè. Dan heetten ze weer Meijer en dan heetten ze weer Stegeman en al die dingen meer hè. Eindelijk kwam ie bij een vrouw terecht die Wesseldijk heette. Die was met een man getrouwd die geen Wesseldijk heette en toch heetten al die kinderen Wesseldijk.

K: Merkwaardig.

J: En hij heette eigenlijk Klein-Wesseldijk. De eerste kinderen van dat gezin die waren gedoopt die werden ingeschreven als Klein-Wesseldijk, en de rest, die kostten zeker teveel werk, die heetten alleen maar Wesseldijk.

K: Dat was dan een plaats, of een boerderij?

J: Ja, het was eigenlijk zo, je had Groot-Wesseldijk, maar dat is van de boeren hè, dat zijn de rijken. En de kleinen, dat waren de arbeiders, we zijn niet zo erg deftig hoor.

K: Toen had je natuurlijk ook niet zoveel beroepen hè, in die tijd?

J: Nee. Een oom van mijn vader, die dominee Van Anke, die was met een zuster van mijn grootvader getrouwd, met Marie van den Berg. Die was met dominee Van Anke getrouwd en die had ook een zoon, die wou advocaat worden. Nou dàt mocht niet. Stel je voor. Boeven verdedigen. Hoe haalde ie het in zijn hoofd. Nou dat was een hele rare sinjeur, dat waren al die Van Ankes, maar hij is toch nog burgemeester geworden. Van Ittersum.

A: Maar geen advocaat.

J: Nee nee geen goddelozenberoep.

K: Maar ze waren Christelijk Gereformeerd.

J: Ja, maar naderhand was ie gereformeerd. In Gouda was ie gereformeerd hoor. Maar dan had je nog twee groepen gereformeerden, van A en van B, die uit de Christelijk Gereformeerde kerk kwamen dat was de A groep, en die van de doleantie, die van Kuiper kwamen, dat was de B groep. Die zijn naderhand verenigd hè, toen heetten ze gewoon: gereformeerd. Nu zijn ze weer in een stuk of zes …. uiteengevallen

K: Ja toen zijn die artikel 31 enzo gekomen

J: Ja artikel 31 en artikel 30 en weet ik wat, enne Nederlands Gereformeerd hebben ze er ook nog van gemaakt en vrijgemaakt ja, o ja.

K: Maar hij heeft dus in Kampen gestudeerd en in Kampen was ie ook geboren, daar kwam z’n vader vandaan.

J: Ja dat was natuurlijk makkelijk, kon ie makkelijk naar die hogeschool hè.

K: Ja ik heb z’n diploma nog, daarvan.

J: O ja?

K: Ja ik denk dat het via u gekomen is.

J: Ik heb altijd die dingen weggegeven, dat is eigenlijk jammer. Ik heb ze aan onze Jan gegeven indertijd, die wou ook altijd …

K: Aan uw broer Jan?

J: Ik had nog een bril van grootvader, zo’n heel klein, zo’n ziekenfondsbrilletje weet je wel? Zo heel klein, kleine glaasjes en zo.. Ik zie Jan er nog mee op z’n neus zitten.

K: Die heeft Oom Jan op z’n neus gehad?

J: Ja. Die verzamelde ook, hoor. En die zoon van ‘m, die Jan van den Berg. Tussen haakjes die zoon van Jan, die heeft zijn vrouw verloren.

K: Ja.

J: Anneke, die is gestorven.

K: Ja mijn moeder is naar de begrafenis geweest.

J: Nou vrij jong nog hè.

K: Ja. (Tegen Ankie): Dat is mijn neef, dus dat is de oudste oomzegger van Tante Jans. Dus dat is de zoon van de oudste broer.

J: Nou ik heb hem nooit meer gezien de laatste jaren. Ik heb hem helemaal nooit meer gezien. Roland wel hoor.

K: Roland is een keer geweest bij mij in Maurik, die was bij iemand op bezoek geweest die op hun gepast heeft in Afrika, die woont bij ons in ’t dorp toevallig.

J: O.

K: Maar Jan die ken ik eigenlijk helemaal niet.

J: Ik ook niet hoor, ja ik heb hem als kind gekend natuurlijk. In Ierland is ie geweest en weet ik waar.

K: In Marokko heeft ie ook gezeten. Dat was geloof ik zijn laatste standplaats. Roland die zit nou in China.

J: Nog een jaar.

K: Nog een jaar en dan is ie ook met pensioen, want die is ook al 62.

J: Ja dat zal wel.

K: Dat is dan zo’n beetje de eerste die overlijd van die generatie, van uw tantezeggers. Zo’n beetje zestigers. Want het gaat wel hard nu, ook met uw broers en zusters.

J: Ja nou, zeker, ik heb alleen Koos nog, en Bets hè. En Sinus dan.

(bij het omwisselen van de cassette is er wat conversatie verloren gegaan. Blijkbaar gaat het gesprek over de oorlogstijd.)

J: In ’47 ook hoor, toen was het ook heel erg. En toen Oom Henk ziek was in ’63 was het ook zo’n strenge winter. Toen bij mij de waterleiding sprong, op een avond hè, in de kelder, mens het water..

K: Ja toen was die elfstedentocht.

J: Het eten spoelde van de plank af en het stond blank, ’s avonds. Toen heb ik mijn buurman, Bart Verkruyssen nog geroepen en die heeft gauw de hoofdkraan dichtgedraaid en was nog zo vriendelijk om de hele boel op te dweilen ook. Dat was ook zo’n aardige vent hè, die Verkruyssen.

K: Dat was de zoon van de onderwijzer uit Santpoort, Meneer Verkruyssen.

J: Hoe vond jij Verkruyssen?

K: Oeh, dat was echt zo’n hele ouderwetse man hè.

J: Ja, akelige man ja. Niet leuk hè?

K: Altijd een beetje militairistisch was ie, hè?

J: Tannie zat bij ‘m in de klas. En ze zegt: nooit zal ie eens zeggen wie geen fouten in zijn taal heeft die krijgt een plaatje, nee je moet altijd je sommen goedhebben hè. Rekenen hè. Als je kon rekenen dan was je knap. Maar Tannie kon niet rekenen dus die telde helemaal niet mee hè. Die kon niet rekenen.

K: Nou daarom kan ik zo goed rekenen want dat deed ie ook veel. Tekenen en zo, dat maakte ook niet uit. Maar uw vader was onderwijzer, die had toch wel bepaalde ideeën over kinderen opvoeden, zo streng

J: Nou

K: Maar hoe was ie dan in de klas? Want u bent nog onderwijzeres bij hem geweest.

J: Ja handwerk hè, voor handwerken. Ik ben ook wel eens ingevallen, ik heb je vader nog wel in de klas gehad. Een poosje, ja. Maar ik had er een vreselijke hekel aan.

A: Maar u hebt nooit een baan gehad als onderwijzeres?

J: Ja, in Amsterdam, hè. Dan moest ik invallen, ik geloof vier en een halve maand ofzo. Toen zat Kees bij mij in de klas. Moest ie een keer schoolblijven ook nog, bij me, dan had ie weet ik wat, en toen was ie klaar toen zegt ie: mag ik achterop de fiets naar huis? Ja dat was wat. Liep ik een keer door het Vondelpark, waar ik vandaan kwam weet ik niet maar ik liep het Vondelpark door zo de Amstelveense Weg op toen kwam er een jongetje aangestoven op een fiets helemaal rood, z’n gezicht, staan op de trappers, dat was Kees, die met mijn fiets d’rvandoor was.

K: En oom Sinus heeft u ook in de klas gehad?

J: Nee hoor, nee. Zover heb ik het niet gebracht, want ik hield helemaal niet van lesgeven.

A: Nee?

J: Nee dat was helemaal mijn werk niet. Ik weet niet wat ik had gewild, ik had eigenlijk in de verpleging gewild, maar dat vond m’n moeder zo’n vies vak, daar moest ze niet aan denken.

K: O nee?

J: Ze heeft het direct de kop ingedrukt hoor. Maar volgens Hazelager was ‘r een goeie verpleegster aan me verloren gegaan. Een hóófdverpleegster, zei ie. Want hij kwam nogal eens bij Oom Henk dan kijken hè: U weet altijd precies wanner U me roepen moet. Ja dat leer je dan hè.

K: Maar u bent thuisgebleven tot u met Oom Henk trouwde dan hè.

A: En toch bent u onderwijzeres geworden.

J: Ja, en ik kon er niet onderuit komen hè, want ik kon mijn moeder niet in de steek laten. Dat kon ik niet over mijn hart verkrijgen maar ik had eigenlijk véél eerder moeten zeggen: ja hoor eens, je hebt nóg zeven dochters hoor, je bekijkt het maar.

A: Ja.

K: Het was toen toch eigenlijk een drukte

J: Ja erg druk hoor, heel erg.

K: Want dat zou je nu niet meer in je hoofd halen

J: Ja en je wordt er minderwaardig geacht hè, dat zie je aan dan aan Bets, die voelt zich dan boven je verheven want die is dan de intelligente, hè, en de knappe.

A: Ja, maar u hebt ook dat diploma gehaald.

J: Ja. Zij deed examen het ene jaar en ik het jaar daarop. Een jaar erna.

A: Maar had u toch voor de klas willen staan?

J: Nee, ik wou alleen maar de kennis hebben. Ik wou wat meer weten. Ik heb wel voor de klas gestaan hoor, een hele akelige grote klas vond ik het, van 48 kinderen. En van die meester moest je elke dag voor elk kind een regel schoonschrijven voorschrijven dus ik zat elke avond.. je had 48 schriften. Nou dat was ook wat hoor, niks voor mij. Geef mijn portie maar aan Fikkie, hoor.

J: Maar Tante Jans ik veronderstel dat de andere kinderen wel… want Tante Stien is onderwijzeres geworden

J: Ja, natuurlijk wel.

K: En Tante Marie, wat heeft die gedaan?

J: Nou die heeft niks… die heeft op zo’n kliniek gewerkt hè, voor bestralingen en zo. Dan in die tijd had je die lupus patiënten nog. Marie is op de industrieschool geweest maar daar heeft ze ook nooit wat… daar hebben ze meer gespeeld dan gedaan. Want dat werd als een lolletje beschouwd. En dan had ze straf hè, en dan moest m’n vader een briefje tekenen dat ze straf had. En dan wachtte ze net zolang tot m’n vader z’n jas aanhad en z’n hoed ophad en de deur uit zou stappen dan kwam ze nog gauw even aanlopen: O pa, zet nog even je handtekening. Wat is dat nou toch weer met jou, zei m’n vader dan en dan zette ie een handtekening, klaar was ze weer.

K: En Tante Jos wat heeft die dan gedaan?

J: Die ging op kantoor hè, bij de PTT was ze geloof ik. Telefoniste was ze.

K: Dat het ik nooit geweten. Stond je ook niet bij stil.

J: En Koos is in de verpleging gegaan.

K: En Oom Sinus die heeft kweekschool gedaan. En toen van daaruit is ie die aktes gaan doen, hè.

J: Ja, akte middelbaar Frans gehaald, akte D zelfs gehaald hè. Directeur geworden van de HBS, van de Handels HBS

K: van de Handelsschool. Maar Oom Ruud..

J: Die had ook z’n middelbaar Frans.

K: Die was waarschijnlijk voorbestemd om voor de klas te gaan hè. Want u heeft weleens verteld de vader van Oom Ruud, Jan van de Putte, die had nog een zoon en die zou toen..

J: Kees van de Putte, die was ook onderwijzer ja. Toen mijn grootvader aftrad als hoofd, had ie gehoopt dat z’n zoon op zou volgen, toen hebben ze een ander benoemd. En dat was dan niet zo erg, maar ze namen één van dezelfde school en dat was stekend. Dat hadden ze niet moeten doen, dan hadden ze een vreemde van buiten moeten aantrekken. Want hij deugde d’r ook niet voor, hoor. Het was een dromer, die man. O het was een leuke man, je kon er om lachen hoor. Het was een hele… typ, o gut. Heel knap, o hij sprak wel vijf talen, die man hè, en hij gaf les, een heleboel avondlessen maar een eerste klas kon ie nog niet onder de tucht houwen hoor. Liep ie met een lange stok door de klas heen om hier en daar tikken uit te delen. Hij had er geen slag van. Drukke avondlessen, elke avond volop privaatlessen geven ja.

K: En uw moeder, die kon ook wel tekenen, hè?

J: Ja. Maar dat heb ik nooit zo gemerkt indertijd hoor, ik ben pas later tot de ontdekking gekomen. Later deed ze dat niet meer hè, ik heb ‘t ‘r nooit zien doen hoor.

K: En uw vader, kon ie tekenen?

J: Nou, mja, een beetje. Niet zo, dat het nou opviel. Ook wel wat muziek, maar ik kan niet zeggen dat ie nou bepaalde… nee, talenten had.

K: Piano spelen?

J: Neeeh. Orgel misschien een beetje wel. En ’s avonds kwamen al die studenten, je weet wel waar ik je van vertelde, kwamen ze zondagsavonds en eerst, voor die tijd werd er altijd uit de bundel van Johan de Heer gezongen hè, het ene lied na het andere, toen wij nog onder ons waren. Maar toen die jongens erbij kwamen toen werd Speenhoff….de meest gekke liederen werden er ten gehore gebracht.

K: Waren dat kennissen van Oom Jan en zo?

J: Nee, nee hoor die waren allang de deur uit, Jan en Bé, die hebben dat nooit meegemaakt. We hadden een neef in huis hè, die was een zoon van een nicht van mijn vader, uit Friesland, Jan de Vries, die heeft een jaar bij ons gewoond en dat was ook zo’n grapjas, daar hebben we ook reuze pret mee gehad. De eerste avond de beste, dat ie naar z’n bed wou gaan, dat was op het zolderkamertje hè, daar helemaal bovenaan toen stonden Marie en Tan klaar met een kan water om die over z’n hoofd te gooien. Dat heeft ie heel goed opgenomen. We hebben altijd grote lol met hem gehad. En Tan en Marie dat was me ook een stel hoor. O je wist je geen raad soms met ze, hoor. Met die Marie, die kon wat.

K: Ja die heb ik ook nog wel meegemaakt. Die was altijd van de boel aanzwengelen hè.

J: Heb ik je wel eens dat verhaal van die schilder verteld, die moest bij ons thuis schilderen achter op de veranda en die man die zei achter elke zin: ja ziet u. Als ik nou klaar ben, ziet u, dan doe ik dat, ziet u. En dan kwam Marie en die zei: Meneer komt u koffie drinken, de koffie is klaar, ziet u. Als je nou niet komt, dan wordt ze koud, ziet u. Dat zei ze dan tegen die man. Je wist je nooit geen raad met die meid. Een treiterkop was het, maar het was wel een leuke meid hoor. Ze kon heel erg aardig zijn, ze was ook heel gevoelig, ze zwom direct in tranen altijd, huilen en lachen lag heel dicht bij elkaar bij Marie.

K: Terwijl haar man, Oom Han Mulder, die was altijd, tenminste dat vond ik als kind, ja.. droog.

J: Dat was een engerd.

K: Die deed altijd heel vervelend hè?

J: Oeh, akelige man, oeh. Over de doden niks dan goeds, maarre..

K: Maar Marie was dus heel vrolijk altijd.

J: Hij was helemaal niet aardig ook, hoor. O wat heb ik me daar vaak aan geërgerd, aan die man. Nou die tweede man van d’r die was aardiger hoor.

K: Die Henk van der Grient?

J: Daar heeft ze het heel goed mee getroffen toen, hoor. ’t Zou mijn smaak niet geweest zijn, maar ja dat is háár zaak.

K: Ja die was ook heel streng christelijk.

J: Hij was ook nogal fanatiek op kerkelijk gebied, ook een scherpslijper hè.

K: En zoals dominee Buskes, dat was een goede kennis van u, hè?

J: Nee hoor. Nou ik kende hem wel goed, ja. Ik heb wel bij ze gelogeerd, op Tessel. Zij was secretaresse, ere-presidente van onze meisjesvereniging. Ik kwam er vaak thuis. Maar ja toen ben ik weggegaan naar Indonesië en als je dan na zeven jaar terugkomt is er zoveel veranderd hè. Toen was het ineens oorlog dan kom je ook niet meer overal hè. Zat je midden in de oorlog ineens.

A: Welk jaar bent u weer teruggekomen?

J: ’39.

A: O, vlak voor de oorlog.

J: Ja. Toen zijn we in april teruggekomen en in september was het al oorlog met Engeland en Frankrijk. Toen hebben wij tot mei dan nog gered..

K: Ja anders was u in het jappenkamp terecht gekomen waarschijnlijk.

J: Ja. We hebben alles op alles gezet want ze wouen ons niet laten gaan. Want er was geen geld, zeiden ze. Toen hebben we een doktersattest gevraagd, allebei, toen zijn we toch gegaan.

A: Hoeveel kinderen hebt u eigenlijk?

J: Ik heb er zelf vier. En er waren ook vier stiefkinderen natuurlijk hè. Eén is er overleden, Henny, die is overleden en Gerard is ook erg ziek.

K: Ja?

J: Die ligt ook op z’n laatste, ja. Die heeft kanker aan de prostaat en die is helemaal verlamd van onderen, helemaal. Z’n armen kan ie alleen nog maar bewegen. Hij ligt in de Lichtenberg, in Amersfoort.

K: Wim is de dermatoloog, Gerard is de tandarts en Henny was fotograaf. En Truus en Eli?

J: O die wonen hier vlakbij, in een bejaardenhuis in Borculo. Die leven ook als kat en hond, hè, die twee, o verschrikkelijk hoe twee ouwe mensen elkaar het leven zo zuur kunnen maken. Maar hij gaat erg achteruit, Eli ook. Z’n been is toen afgezet en zo. O die mensen gaan allemaal ten onder.

K: En heeft u nog wel contact met Gerard?

J: Ik niet. Helemaal niet meer, nee. Nou Gerard belt wel als ik jarig ben hoor en ik ben wel van plan om nog eens even een kaart te sturen, dat wil ik nog wel doen maar met z’n vrouw wil ik niks te maken hebben.

K: Dat wat zo’n opgetutte…

J: Zo’n snob hè. Hebbe hebbe hebbe, ’t is er eentje van hebbe, hebbe, hebbe, helemaal. Ikke ikke en de rest kan stikke, hoor, bij haar, ja.

A: Dus u kreeg vier kinderen erbij om te verzorgen?

J: Ja, maar die gingen niet mee naar Indonesië hoor, de eerste zeven jaar dus we hebben eerst ons eigen gezin gehad. Maar toen we terugkwamen, ja, toen kwam Wim weer tuurlijk bij ons want we gingen niet terug hè, eerst zou ie nog bij mijn zuster, in Eindhoven, als we weer terug waren gegaan was ie bij Tannie in huis gekomen. En de jongens die waren al.. Gerard zat ergens in Warnsveld die was in Zutphen op de HBS daar nog hè en Wim is de enige geweest die nog thuis is geweest. En Truus is een poos geweest, heb ik drie jaar thuis gehad. Nou toen was ik het ook wel goed zat, hoor. ’t Was niet te harden. Toen wij terugkwamen uit Indonesië toen zei mijn schoonzuster, van een broer van mijn man, daar was Truus altijd te huis zo’n beetje hè als ze vrij was: Wat hoor ik, nemen jullie Truus in huis? Dat hadden we dan afgesproken, we zouen haar met verloftijd in huis nemen en dan kon ze die laatste jaren met ons mee terug naar Indonesië hè, dan kon ze een beetje helpen met de kinderen en zo. Want we zouden weer teruggaan hè, met alle kinderen en toen zegt ze zo: Neem jij Truus in huis? Weet je wat ze zeggen? Dat hou je geen zes weken vol hoor. Nou ik heb het drie jaar volgehouwen maar toen was dan ook de boot an, hoor.

A: En hoe oud was Truus in die tijd?

J: 28. Ja nou maar het was een kind van tien hoor. Heel eigenaardig wezen was dat.

A: En die is nooit getrouwd geweest?

K: Jawel, met Eli, maar dat was ook een eigenaardige man.

J: Ja, maar toch was ie wel goed bij, Eli. Maar echt a-sociaal, hè. Hij zou zichzelf niet goed wassen, haast en niet goed kleden en toen ie voor ’t eerst bij ons kwam zag ie eruit, hè, als een… sjabby. Met afgezakte sokken en zo, bah. Truus heeft ‘m dan helemaal opgeknapt hè, die had een kind an ‘m, die verzorgde hem helemaal. En een lastpak dat ’t was, oo.

A: En toen u die stiefkinderen kreeg, hoe oud waren die kinderen toen?

J: Nou de oudste was 21, en Henny was 18 en Gerard was 15 en Wim was 6. Voor Wim vond ik het jammer die had ik nog wel goed mee aan kunnen pakken, Wim was wel heel aardig. Maar ja ze bleven achter, we konden ze niet meenemen. Als we terug waren gegaan hadden we onze eigen kinderen wel meegenomen hoor. Want Tannie was dan ook 6 jaar geweest en omdat ik zelf akte lager onderwijs heb, kon ik ze best zelf lesgeven. Ja, daar had ik niks geen tobberij over hoor. Maar ja, ’t is niet mogen wezen. Jammer genoeg niet. Maar die Truus die was toen bij ons in huis hè, toen Dika geboren werd, de jongste van mij

K: Hoe oud is Dika nu?

J: Dika is nu 51. Die is van 1940. Enne toen ze net geboren was, en toen was Truus bij mij in de kamer en dat kind dat lag in dat bedje en toen hoor ik dat het kind het benauwd kreeg, dat ze hikte en zo, ik zeg tegen Truus: Pak dat kind op! Nou die was 28 jaar die meid. Ik zeg: Pak dat kind gauw op, want dat stikt anders. (doet piepstemmetje van Truus na): Hoe kan ik dat nou? Dat weet ik niet hoe ik dat doen moet. Wat moet ik daarmee? Nou ik was net bevallen hoor, nèt bevallen, ik was m’n bed al uit natuurlijk. Maar gelukkig kwam de zuster gauw boven, en die hield d’r voorover en toen kwam er een hele prop slijm uit haar mondje, hè. Nou ja dat was blijven zitten, dat moest eruit.

(Karel zet het apparaat op pauze. Als het opnemen weer begint, gaat het gesprek over Jans’ moeder)

J: …overkwam met twee kleine kinderen, mijn moeder was helemaal in de war. Dat kon ze niet hebben meer. 16 kinderen zelf gehad, altijd in de kinderen gezeten. Ze kon er niet tegen hoor, helemaal niet.

K: Ze was denk ik kindermoe.

J: Ja heel erg. Nou ja toen was ik alweer volwassen, ik kon het wel aan.

K: Ze had natuurlijk gigantisch veel kleinkinderen hè.

J: Ja, ik geloof dat ze d’r 42 had. Bé had er 2, Jan 3, dat is 5, ik had er 4 dat is 9, Bets 1 dat is 10. Tan had er 5 dat is 15, Marie had er 6 dat is 21, Cor had er 7 dat is 28, Jos had er 2 dat is 30 en Koos had er 4 dat is 34, jullie hadden er ook 4 dat is 38 en dan ja… wie vergeet ik nou? Sinus had er 2 en Stien had er ook 2, dat is 42 ja.

K: Ja klopt precies.

J: Allemaal kleine gezinnetjes hè. Alleen Cor en Marie, die sprongen eruit. Ja 5 was ook nogal behoorlijk hè, want jullie hebben er ook 5 gehad, ik heb er ook 5 gehad. Maar 4 dat was voor mijn gevoel niks hè. 4 kinderen, als je uit een gezin van 13 komt, dan vind je vier niks. Ik weet nog dat Dika geboren was, dat m’n vader kwam kijken: Ha, zegt ie: Ha, hoe heet ze? O Hendrika. En hoe noemen jullie d’r nou, is dat Riekie? Ik zeg: Nee, geen Riekie, dat moet ik niet. Dat doen we niet. Toen heette ze nog geen Dika, hoor maar gewoon Hendrika. Nou zegt ie: en nou de volgende maar weer. Ik zeg: ja dat had je gedacht. Hij keek zo gek! Je had het niet in de hand hè. Want eigenlijk hadden we er maar twee willen hebben. Nou ben ik blij dat ik er vier heb, hoor, maar ons plan was toch twee. Want m’n man was al oud, en dan op zijn leeftijd nog met vier opgroeiende….

Hij was al gepensioneerd toen die kinderen nog allemaal op de middelbare school waren. Die hebben het echt niet gemakkelijk gehad d’rmee hoor. Hij was 14 jaar ouder dan ik. Ik was 39 toen Hendrika geboren werd, ik werd 40 in dat jaar, nou hij was bijna 54 hè. Dika heeft altijd een ouwe vader gekend hè, eigenlijk. Voor zij een beetje besef had was ie al 60 hè, bijna. Maar mijn man zelf had het ook gehad. Zijn vader was… zijn moeder was ook 13 jaar jonger dan zijn vader. Hij was ook geboren toen zijn vader al 54 was. Hij zegt: ik heb altijd een grijze, ouwe man gekend als vader. Vroeger had je dat niet zo in de hand hè, tenminste in onze kringen was dat helemaal niet bekend hè, die dingen. Ik weet wel dat die onderwijzers van de school van Verkruyssen, die hadden eens een doosje gevonden op het erf en daar zaten condooms in, en ze wisten helemaal niet wat het waren hè.

K: Tegenwoordig krijgen ze dat op school.

J: Dat vind ik ook weleens een beetje erg hoor, nou ja… dat is onze opvoeding nog hoor, onze ouderwetse opvoeding. Maar mijn kinderen die waren wijs genoeg, hoor. Jij hebt Opa van den Berg niet gekend, hè?

K: Nee, die is in ’42 gestorven, en ik ben van ’45.

J: En mijn moeder, die vond het heerlijk dat ze alleen was, weet je dat? Zo fijn, zegt ze: ik zit hier toch zó heerlijk ’s avonds, zo rustig, ik hoef voor niemand op te staan, ik hoef niks te doen.

A: Die kwam eindelijk eens aan zichzelf toe.

J: O ja, ze hield zo van plaatjes kijken en van lezen hè, o ja. Ik ben altijd aan het handwerken, ze vinden dat ik nog veel te veel doe. Ik heb net weer twee exemplaren klaar. M’n hondje is vandaag afgekomen en de beer is al een poosje klaar.

K: Wat mooi. Is dat voor de bazar, Tante Jans?

J: Ja. Maar niet op de keper bekijken, hoor, het gaat niet meer zo goed met dit ouwe mens.

A: Ik vind het hartstikke knap hoor. Hebt u daar een voorbeeld van?

J: Ja, maar ik doe toch veel op eigen houtje. Ik doe het nooit precies zò. In het boekje was ie gehaakt en ik heb hem gebreid. Maar voor een kind is het nog wel aardig.

©  www.netherlandsancestors.com