woensdag 24 december 1986

Mevrouw J. Wesseldijk - van den Berg (86):

'VOOR MIJ IS 'T ELKE DAG WEER KERST'

(door Ger de Vries)

 VRIEZENVEEN - Kerstmis. De klokken zullen luiden. Radio en televisie zullen uitvoerig stilstaan bij de geboorte van Christus. En de kerken zullen weer vol zitten met 'kwartaalgangers', mensen die vier keer per jaar op de feestdagen naar de kerk gaan en de rest van het jaar zich op zondag nog een keer omdraaien. Miljoenen kerstbomen zijn opgetuigd en het "Stille nacht, Heilige nacht" wordt weer volop gezongen. Veel huisvrouwen zullen opgelucht ademhalen omdat zij kans gezien hebben de berg etenswaren op tijd aan te slepen. Voor de 86-jarige mevrouw J. Wesseldijk-van den Berg, woonachtig in De Vriezenhof is dit maar niets. Zij heeft zo haar eigen visie op kerstmis.

De manier waarop de viering ervan op haar overkomt kan haar instemming niet wegdragen. Zij verafschuwt de commercie. Haar leven stond in het teken van zorg voor anderen die het beslist niet breed hadden. Zij weet dat er mensen zijn die het liefst op 24 december naar bed gaan en wakker willen worden als het allemaal voorbij is. Mensen die verdriet hebben, die alles wat er rondom kerst gebeurt en wordt verkondigd onwerkelijk, schijnheilig en ongemeend vinden.

"Kerstmis is een gebeurtenis om bij stil te staan. Doen we hier in De Vriezenhof ook." Maar mevrouw Wesseldijk vraagt zich af waarom de mensen alleen bij de betekenis ervan stilstaan op 25 en 26 december. "Waarom ontbreekt het in de rest van de tijd aan gevoel voor de medemens? aan wat zorg voor elkaar, aan steun? Waarom is het zo commercieel en leeft het niet in de mensen het gehele jaar door?" Haar ervaringen hebben haar geleerd dat het altijd kerst zou moeten zijn.

"Ik ben in 1900 geboren in Hazerswoude. Toen ik twee jaar was verhuisden we naar Amsterdam. Mijn vader werd er hoofd van een school in een volksbuurt: de Borgerstraat. We waren thuis met velen. Mijn vader en moeder waren mensen vol zorg:" De buurt waarin vader Van den Berg werkte werd bevolkt door wat in het Hebreeuws 'gajes' wordt genoemd. De kleine Jansje van den Berg leerde daarom al jong wat er zich afspeelde in de gezinnen van de kinderen waar haar vader zich voor inspande.

"Nee, het was er geen vet. Wie een loon had van zes gulden was een hele Piet. Mijn vader deed veel voor 'zijn' kinderen. Als die ziek waren ging hij erheen. En vaak ontdekte hij dan ook dat het geen ziekte was, maar het ontbreken van schoeisel of fatsoenlijke kleding."

STORMKLAAR

Vader van den Berg zorgde ervoor dat zijn kinderen leerden. De broers bijvoorbeeld maakte hij 'stormklaar' voor de hbs, de meisjes kregen ook een goede opleiding. Aan tafel werd gesproken over dingen die zich voordeden op school, in de kerk en de 'wereld'. Heel bewust maakte mevrouw Wesseldijk dan ook mee wat er zich in 1926 afspeelde rondom ds. Geelkerken die uit het ambt gezet werd toen er een theologisch conflict over het "wel of niet spreken van de slang in het paradijs" zijn climax bereikte in de synode van Assen.

Vader Van den Berg koos de kant van ds. Geelkerken en werd als ouderling ook gewipt. "En we verloren daarmee het contact met de familie en vrienden die ons niet meer bekeken. Kerstmis. Gek eigenlijk maar we hadden in die tijd geen kerstboom. Niemand had die in onze kring. Een kerstboom was heidens. Je ging op eerste kerstdag twee keer naar de kerk en op tweede kerstdag een keer. En de predikanten leverden een 'tiendaagse veldslag', zoals ze het noemden....".

"Ik ben nooit op zondagsschool geweest, maar vader had er banden mee omdat die in zijn school werd gehouden", vertelt ze "Niemand sprak in die tijd nog van oecumene maar wij hadden wel met ds. Geelkerken 'kerstwijdingen' waaraan hervormde predikanten en lutheranen meewerkten. Maar je kunt wel nagaan hoe daarover werd gedacht in de andere kring. Neen: er was kerkelijk echt geen kerst, geen vrede op aarde. Men stond elkaar zelfs geestelijk naar het leven. En dat 'vrat' aan mijn vader. Toen hij dan ook een kans kreeg om 'lerend ouderling' te worden in Santpoort, verhuisden we daarheen."

GESEL

"De eerste wereldoorlog was geen grapje. De distributie kwam te laat op gang. Er werd niet direct honger geleden, maar er was gebrek aan alles. Voeg erbij dat iedereen 'zwaar op de hand' was. Als er geen problemen waren, werden die gemaakt", vertelde mevrouw Wesseldijk. Na de wereldoorlog kwam de gesel van de Spaanse griep waarin honderden stierven. Ook een zusje van mevrouw Wesseldijk. Haar oudste broer werd assistent-resident in Indonesië en werd vermoord nog voor de Jappen Indië bezetten.

"Zelf gaf ik les. Tot ik in 1932 tegen mijn man aanliep die bij ons logeerde en die weer terug zou gaan naar zijn zendingspost. Hij was met verlof naar Holland gekomen, maar ook met het doel een vrouw te vinden. Wij kregen vijf kinderen waarvan de eerste, een jongetje, overleed. Ik wist niet wat me te wachten stond. Financieel had een zendeling het beslist niet breed. Je ploeterde heel wat af. Het werk hing af van de vrijwillige bijdragen die uit de zendingsbusjes kwamen en via de schoolcollecten".

"Zo erg geïnteresseerd was het thuisland niet. Mijn man werkte in het gebied waar twee mannen van naam - Kruyt en Adriani - voor hem hadden gewerkt en na 18 jaar hun eerste dopelingen hadden. Dank zij de school waaraan ik ook les gaf, bereikten we de kinderen en via hen de ouders. Wij, de vrouwen, wekten hard, we hielpen de zieken en voedden ondertussen de kinderen op en gaven les".

"Toen we op 28 april 1939 in Nederland kwamen voor ons verlof, wisten we nauwelijks wat hier gaande was. We leefden daar van kranten die weken oud waren. We waren wel verbaasd toen we vertrokken uit Indië. Op onze boot reisde de Duitse ambassadeur mee die uitgeleide werd gedaan door zijn staf die op de kade stond te skanderen: "Sieg Heil". En toen heb ik het voorvoeld. Ik zei tegen mijn man, toen we weggingen van onze post: "We komen hier nooit meer terug". Ik kreeg gelijk.

De oorlogsjaren 1940-1945. Het echtpaar woonde in Santpoort bij de ouders van mevrouw Wesseldijk. De omstandigheden? "Moeilijk. Zorgen volop. Financieel ook. Maar mijn man was een meester op het gebied van financiën. Armoede hebben we niet gekend. Maar hij was als mijn vader: gewend te geven en niet om te vragen. Het was strijdig met zijn karakter, zijn levensvisie en dat was soms lastig. Vooral toen de honger toesloeg."

"Hij had een zuster in het Diaconessenhuis in Haarlem waar we tegenover op een zolderkamer kwamen te wonen. Dolgelukkig waren we met die ene boterham die we vrijwel elke dag van haar kregen. Aan het eind van de oorlog woog mijn man 114 pond en ik 118. Hij kreeg wel extra voeding, ik niet want ik was nog te zwaar..."

Ze kan er nu om lachen, maar door die lach heen klinkt verdriet omdat ze tegenover die ellende van toen, de weelde van nu ziet.

In 1960 ontsnapten beiden aan de dood: koolmonoxyde. Mevrouw Wesseldijk kwam de gevolgen te boven, haar man niet. Zijn hersens waren aangetast. Na vier jaar stierf hij. Zorgen, verdriet, ziekte, oorlogen, tegenslagen, ze heeft ze allemaal gekend. Kerst of geen kerst. Natuurlijk: ondanks al die ervaringen heeft ze toch veel om dankbaar over te wezen. Met haar kinderen - één woont er in Vriezenveen - heeft ze nog steeds prima contact. Maar ze weet dat het in veel families anders is.

"Daarom ook. Kerstmis? Als het gevierd wordt vanuit de intentie heb ik er vrede mee, maar voor mij is het elke dag kerst, zonder commercie zonder kerstboom. Men had vroeger gelijk: die kerstboom en alle rimram eromheen is 'heidens' .....".

©  www.netherlandsancestors.com