IGOR CORNELISSEN
Van Zwolle tot Brest-Litowsk
Onstuimige herinneringen

Hoofdstuk 9: De Familie Franssen/Seksuele hoogstandjes/In bed betrapt/Begrafenis meneer Franssen

De familie Franssen woonde in de Bloemendalstraat schuin tegenover het patriciërshuis waar in de achttiende eeuw de grote Overijsselse patriot Joan Derk van der Capellen tot den Pol zijn winterverblijf had. Dáárnaast was de Stedelijke Muziekschool gevestigd waar ik solfège had gehad en, zes jaar oud, als een onophoudelijk kwakende kikker in een kinderoperette was opgetreden. Daar weer naast stond het huis waar Rhijnvis Feith de winters doorbracht.

Ik was bevriend met de jongste zoon, Dick, die gedichten van Lodeizen en de vijftigers las en - toen al - Ik heb altijd gelijk van W.F. Hermans bezat. Die Hermans-roman had hij om twee redenen gekocht. In de eerste plaats was er om dat boek een schandaal ontstaan omdat de schrijver het rooms-katholieke volksdeel zou hebben beledigd; in de tweede plaats vanwege de titel. Het was een uitdrukking die vader Franssen om de haverklap gebruikte.

De anti-katholieke ondertoon van het boek was voor zoon Dick heel functioneel, want er kwamen bij hen wel paters dominicanen over de vloer. In het wit gestoken monniken die toen nog het Zwolse stadsbeeld verlevendigden als ze in hun pijen lange wandelingen maakten naar hun bezinningscentrum aan de Overijsselse Vecht bij het Haersterveer. Waarom enkele van deze paters nu bij de ongodsdienstige familie Franssen kwamen, weet ik niet. Misschien werd deze vroegtijdig gepensioneerde leraar Engels geraadpleegd voor een vertaling.

De oude Franssen was wat de Engelsen een character noemen, een type. Op zijn kale hoofd prijkte een kolossale deuk, blijvend aandenken aan Zwolles bevrijding toen hij door een tank was aangereden. Toen ik de familie leerde kennen was hij daarover nog altijd met de Canadese autoriteiten in een drukke correspondentie gewikkeld. Een schadevergoeding zou hem niet ontgaan.

Hij liep rond in morsige, archaïsche pakken, droeg een oud en wrak montuur en meldde zich als de telefoon ging op volstrekt unieke wijze. 'U spreekt met Franssen, Bloemendalstraat dertien, leraar Engels MO, beëdigd tolk en vertaler. Met wie spreek ik? Wie wilt ú spreken?' Dan volgde nog een hele opsomming van de samenstelling van zijn gezin, wie er op dat moment wél en wie afwezig was met soms ook nog de reden van de uithuizigheid erbij, zodat het geruime tijd duurde voordat de opbeller zelf aan het woord kwam.

De leraar Engels MO enzovoort had les gegeven op de Openbare Handelsschool. Twintig jaren later vertelden ex-leerlingen nog hoe die rare man hen de klas uit had gestuurd om een venter te helpen die zijn zwaar beladen kar niet door de sneeuw had kunnen krijgen. Hij was getrouwd met een leerlinge, een huwelijk dat niet in alle opzichten gelukkig scheen, gezien de vaak wat neerbuigende manier waarop zij haar man alleen met zijn achternaam aansprak. Gastvrij was zij ook. Mijnheer Franssen was een begenadigd verteller die, als hij eenmaal was begonnen, daar ongaarne mee ophield. Over het leven van veel Engelse schrijvers wist hij kostelijke details op te dissen. Het beste was hij op dreef wanneer zijn anecdotes het erotische terrein betraden. Zo vertelde hij graag over een Belgische vriend die hij in de Eerste Wereldoorlog had leren kennen. Die Belg had het werkelijk niet alleen op alle denkbare stilstaande plekken gedaan, maar ook in of op rijdende voertuigen. In treinen, auto's, vliegmachines, postkoetsen en kruiwagens; eenmaal had die donderse Belg zelfs in een luchtballon gecopuleerd. 'In een luchtballon', herhaalde mijnheer Franssen dan met een ruime lach die het curieuze van de daad op dié plaats overvloedig accentueerde.

Voor intimiteiten ging hij niet aan de kant. Hij wist heel wat af van het gedrag van vrouwen in vreemde landen. Wisten wij wel hoe Japanse dames uit de hogere standen zich bevredigden? Omdat hij er al op rekende dat wij dat toch niet zouden weten, begon hij direct met zijn smakelijke onthulling. De door hem bedoelde Japanse vrouwen brachten een metalen balletje in dat gevuld was met kwik. Die Japansen gingen dan 'behaaglijk' in een schommelstoel zitten en door dat geschommel veroorzaakte het ingebrachte balletje een zo opwindend gevoel dat zij makkelijk 'een hoogtepunt' bereikten.

De mooiste anecdote die hij op dat zo brede terrein vertelde, ging over zijn eigen hond Winnie, een groot, log maar altijd vriendelijk dier dat door mijnheer Franssen de hele dag werd toegesproken als was het een oude schoolvriend van hem. Het volgende was gebeurd. Een dame uit de buurt - iedereen kende daar Franssen met zijn hond - had bij hem aangebeld en met een van medeleven vertrokken gezicht gezegd: 'Mijnheer Franssen, kom direct naar het Bethlehemse Kerkplein. Uw hond ligt daar dood.' Winnie was helemaal niet dood. De oude hond had gekeesd en lag nu uitgevloerd op de stenen. 'Winnie had een punt gezet,' brulde Franssen van het lachen toen hij het navertelde en zijn hond die van het verhaal meegenoot omstandig driftige klopjes gaf. 'Winnie niet dood, Winnie alleen punt gezet, Braaf! Braaf!'



Voor een enkel Zwols bedrijf, zoals de wetenschappelijke uitgeverij Tjeenk Willink, verrichtte hij vertaalwerk. Hij deed dat gezien het grote aantal woordenboeken die op de tafel verspreid lagen heel nauwkeurig. Een oude tot op de draad versleten Webster dictionary legde hij altijd onder handbereik. Voor snel werk was hij niet de geschikte persoon. Hij tikte namelijk met één vinger, waarbij hij onophoudelijk zijn bril op- en afzette al naar gelang hij een woord tikte of wanneer hij in het woordenboek iets opzocht.

Met zijn grote hobby werd ik eens op een uiterst onaangename manier geconfronteerd. Franssen jaagde. Een groep Zwolse mannen uit gevestigde families nodigde hem zo nu en dan uit mee te gaan naar de Mastenbroekerpolder. Hij was dan gastjager. Er rezen later wel wat bezwaren tegen zijn aanwezigheid, want hij praatte zo graag en zo veel dat er van het doodstil besluipen van het wild weinig kwam. In Zwolse jagerskringen raakte hij dan ook berucht als wildverjager. Maar ook al schoot Franssen zelf zelden iets, de andere mannen gaven hem altijd wel wat wild mee.

In de tijd dat ik al wel uit het leger maar nog niet bij Het Vrije Volk was, een periode dat mijn moeder zich wel erg opdringerig met mijn toekomst en mijn vriendinnenkeuze bemoeide, werd ik medogenloos betrapt.

Moeder had een meisje op kamers. Een lief, zacht en grappig pratend meisje dat Sepha heette en bevriend was met Franssens oudste zoon Onno, een forse, altijd gebruinde jongen die prachtig negro spirituals kon zingen, in tegenstelling tot zijn broer niets cynisch had en toen al de reputatie van een onverbiddelijke Don Juan te zijn.


Onno en Dick

Mijn moeder zou een heel weekeinde afwezig blijven bij een cursus van de Woodbrokers of een vrouwengroep van de PvdA. Het leek niet alleen, het wás het moment voor Onno en mij om ons op de Vondelkade stevig te misdragen. Hij met zijn Sepha en ik met Herma Göeken die ik op een Zwolse jazzavond had leren kennen. De start was onberispelijk. Het hele huis voor ons alleen. Moeder zou - ik had het wel tien keer herhaald - pas maandagmiddag terugkomen. Zondagavond waren we na veel inleidende plaatjes uit mijn collectie en slap-zoete bessenjenever tussen de lakens geschoven.

Om kwart voor tien was de voordeur opengegaan. Mijn moeder was eerder thuisgekomen. Er volgde een volwaardige uitbarsting. Sepha had misbruik gemaakt van het in haar gestelde vertrouwen. Van Onno die ze wel kende, had ze zoiets al helemaal niet verwacht. En ik, haar zoon, stond daar met een sok aan en een half dichtgeknoopt overhemd in zijn onderbroek, het bed nog warm en dampig. 'Een schande is het je oude moeder zoiets aan te doen.' Het betekende dat ze nooit meer weg zou kunnen gaan. Smeerlappen waren we en die meiden niet beter dan hoeren. Dat laatste ging me iets te ver. Ik kreeg ook niet over mijn lippen dat ik er spijt van had en dat het nooit meer zou gebeuren. Wat moet je trouwens in zo'n situatie in godsnaam zeggen. De aandachtige lezeres zal zich herinneren dat geschetst voorval in de jaren vijftig plaatsvond.

Met de meisjes achterop fietsten Onno en ik naar de Bloemendalstraat, waar we er in slaagden onze opgewondenheid te verbergen. Dat was niet zo moeilijk, want mijnheer Franssen was druk bezig met vertalen en telefoneren. Onno en Dick verzekerden me dat ik wel bij hen zou kunnen slapen. Hun vader eiste wel eerst uitleg en belde omstandig met mijn moeder die verklaarde dat ik, wat haar betrof, nooit meer thuis hoefde te komen. Precies mijn bedoeling. Mijnheer Franssen was tevreden, want mijn moeder wist tenminste waar ik was. Ik kon op zolder slapen. Zelf ging hij, hoe laat het bezoek ook opbleef, altijd als laatste naar bed. Controle van gas en licht behoorde tot zijn dagelijks ritueel.

Nadat mijnheer Franssen in bed lag, moest ik nog naar de wc en toen ik terugging naar de zolder moest ik mijn weg op de tast zoeken. Géén licht meer aan. Ik liep ergens tegenaan. Mijn gezicht voelde nat. Ik dacht aan een wat zware handdoek die te drogen hing. De volgende morgen, slecht geslapen (hoe zou ik mijn moeder onder de ogen durven komen), keek ik tijdens het vluchtig wassen in de spiegel. Mijn rechterwang was donkerrood. Ik was tegen een haas opgelopen die hing uit te lekken.

Jaren later toen ik al niet meer in Zwolle woonde en zijn zoon Dick ook al elders in de journalistiek was gegaan, zocht ik hem nog wel eens op in de Bloemendalstraat waar hij alleen woonde met zijn hond. Zijn vrouw had hem inmiddels verlaten. Een keer deed hij, hevig verkouden, open op een wel zeer karakteristieke manier. De ogen dichtgeknepen riep hij mij toe: 'Ik hoor niets, ik zie niets en ik ruik niets. Wat kan ik voor u doen?' Toen ik mijn naam noemde en ter verduidelijking zei dat ik een jeugdvriend van zijn zoon Dick was, leek hij geroerd. Dat vond hij geweldig aardig van mij dat ik hem niet vergeten was, dat ik zo'n oude man nog eens kwam opzoeken. Hij ging direct, half struikelend over zijn nu wel heel oude hond Winnie, thee zetten.

Ik ben ook naar zijn begrafenis geweest. Heus niet alleen omdat ik later had gehoord dat zij in de oorlog Zwolse joden hadden verborgen, iets waarover zijzelf al die jaren met geen woord hadden gerept. Ik wilde de laatste eer bewijzen aan een unieke man die mij had geleerd dat je ook in een provinciestad onconventioneel kon zijn, een persoonlijkheid. Dick die aan het graf sprak zei het allemaal korter, veel beter. Hij schetste zijn vader als iemand die misschien wat buitenissig was overgekomen, maar werkelijk een heel warm mens was geweest. Zijn vader had het de laatste jaren erg moeilijk gehad toen hij door zijn ziekte niet meer uitkon. Hij had het moeilijk kunnen verkroppen dat hij niet meer mee kon jagen, dat hij op de fiets niet meer door de polders kon trekken. Zijn vader had er, vertelde Dick, iets op gevonden. Hij had een hometrainer gekocht en die op zijn zolder neergezet. Daar ging hij dan, al in de tachtig, iedere dag een uur op zitten. Dan deed hij zijn ogen dicht en trapte net zo lang door tot hij voor zich zelf het idee had in de Mastenbroekerpolder te zijn. Zo hield hij het contact met de wereld die hij zelf niet meer kon befietsen.

Met dank aan Igor Cornelissen.

©  www.netherlandsancestors.com